Joodse school Utrecht
.

Anna Schapira

Anna komt oorspronkelijk uit Oostenrijk. Vlak na de Eerste Wereldoorlog, in 1919, als Anna zeven jaar oud is, heerst er in Oostenrijk hongersnood. Haar ouders sturen haar met een kindertransport naar Nederland. het is de bedoeling dat ze daar blijft tot zij is aangesterkt.

Ze komt terecht bij de orthodox joodse Isidor Förster. Isidor is een oom van Anna. Ze wordt door hem geadopteerd. Isidor woont met zijn drie oudere zussen in Elburg. 

Anna gaat naar de ULO en vervolgt haar opleiding op de kweekschool. Ze gaat werken als onderwijzeres in Elburg. 

Aan het begin van de Duitse bezetting wordt ze ontslagen. Na de stichting van de Joodse school in Utrecht, verhuist ze naar die stad en wordt ze er onderwijzeres. In Utrecht woont ze in een pension op de Schröder van der Kolkstraat 17. Naast haar woont op nummer 15 bis het gezin van Max Hirschmann. De kinderen van dat gezin gaan ook naar Joodse school.

In juni 1942 krijgt Anna haar vaste aanstelling op de Joodse school:

In het dagboek van Lindeman staat iets over de vreemde vriendschap tussen Hendrika van der Tonge en Anna Schapira, die allebei in hetzelfde pension wonen in Utrecht:

'[Ze] verschillen nogal van karakter. Hendrika [...]staat altijd klaar om iemand te helpen, maar toch laat ze geen misbruik van haar goedheid maken en kan op zijn tijd vinnig genoeg zijn. Anna daarentegen is een beetje te goed voor de wereld en laat soms over zich lopen. Ze mist de kordaatheid en de scherpe kijk op mensen van haar vriendin, daarentegen is ze veel gevoeliger.'

In dat dagboek staat ook een incident dat misschien wel tekenend is voor de relatie tussen de Duitstalige joodse vluchtelingen en de Utrechtse joden:

Marie Gazan over de mensen die zij verplicht was in huis te nemen: '"Nee, 't zijn echte moffen – en ik heb liever met Hollandse joden te doen!" "Dat kan ik zeker meteen in mijn zak steken", zegt Anna geraakt. "Welnee kind" – Marie legt goedmoedig haar arm op Anna's schouder – jij bent heel anders. Toen jij uit Wenen hierheen kwam, was je immers nog een kind." Anna schuift de arm echter van zich af. "Mijn broers en zusters zijn in ieder geval Duitse joden", zegt ze scherp. Er ontstaat een pijnlijk zwijgen, dat door Hendrika wordt afgebroken met een: "Kom, we zullen de kinderen maar eens gaan verzamelen".'

In december 1942 krijgt de bewoners het bevel dat ze hun huis in de Schoeder van der Kolkstraat 17 onmiddellijk moeten verlaten. Waarschijnlijk komen ze daar onder uit, want in potlood staat er achter het adres geschreven dat er in het pand het besmettelijke roodvonk heerst.

Ze blijft intensief contact houden met haar oom, Isidor Förster. Als het op woensdag 7 april 1943 voor Isidor duidelijk is dat hij zich, twee dagen later moet melden in Westerbork, schrijft hij Anna een brief. Op weg naar Westerbork heeft hij in Utrecht een half uur overstaptijd. Hij vraagt Anna: 'Is er nog kans om elkaar te spreken?' Isidor is een maand later in Sobibor vermoord


Omdat Utrecht in april 1943 'Judenfrei' moet zijn, verhuist ze naar Amsterdam. Daar gaat zij tijdelijk inwonen bij het gezin Hirschmann. Vader Max had voor de oorlog door zijn werk, goede contacten met een rabbijn in Zweden. Via die rabbijn lukt het hem om Ecuadoraanse paspoorten te krijgen voor zijn gezin. En ook voor Anna. Eind mei woont ze in de Retiefstraat 90 III.

Bij een razzia in juni 1943 is Anna opgepakt. Via kamp Vught komt ze op 23 juni 1943 terecht in Westerbork. Begin 1944 gaat zij op transport naar Bergen-Belsen. Ze komt in dat kamp terecht dankzij haar valse Ecuadoraans paspoort heeft. De Duitsers hopen haar uit te kunnen wisselen met gevangen Duitsers. Mogelijk zag zij in het transport naar Bergen-Belsen een leerling van de Joodse school: Eli Moses.

In 1945 gaat ze met een uitwisselingstransport op weg naar Zwitserland. Maar op het laatste moment halen de Duitsers toch een aantal mensen die er duidelijk ondervoed uitzien uit dat transport. Anna is daar één van. Zo strandt ze in Biberach, waar ze de bevrijding door soldaten van de Shetlandeilanden meemaakt. Het duurt een jaar voor zij, vanuit een nonnenklooster, weer helemaal hersteld is en terug kan keren naar Nederland.

'Opduiklijst' Biberach (Aufbau 13 juli 1945)

Als ze terug is in Elburg, gaat ze weer werken als onderwijzeres. Ze probeert haar oude leven weer op te pakken, maar het lukt haar niet:

'Maar tijdens het lesgeven was ik zo moe en die dichte deur, daar kon ik niet tegen. Het opgesloten zitten in dat lokaal vond ik verschrikkelijk. Ze waren verdrietig en ook beledigd dat ik het niet aankon, maar het ging absoluut niet. Het was zo moeilijk om langs het huis te lopen waar ik was opgegroeid. Ik was verbitterd dat mijn pleegouders niet hadden kunnen onderduiken uit angst voor verraders. Toen ging ik terug naar Amsterdam. ik werkte daar voor de joodse organisatie die kinderen stuurde naar herstellingsoorden. Ik bleef maar werken met heel mijn ziel. [...] Ik deed het om niet te hoeven denken. Werken was een vlucht.'

Anna krijgt in 1950 een beurs aangeboden om een opleiding te volgen voor sociaal werker. Die opleiding volgt ze in Parijs. Daarna gaat ze aan het werk in Palestina. In 1954 gaat ze twee jaar naar de VS om een studie psychotherapeut te volgen. Terug in Israel behandelt ze gewonde Israelisch en Palestijnse soldaten. Nooit vertelde ze haar patiënten over haar ervaringen in Bergen-Belsen. 

In 1993 keert ze nog een keer terug naar Elburg om er een tentoonstelling over Joods leven te openen. 

Rechts: Anna Schapira in Elburg

Anna Schapira overlijdt in 1997 in Tel Aviv.