Joodse school Utrecht
.

Hens Lindeman

Hens (officieel Henri) Lindeman woont in 1940 met zijn gezin, vrouw Bep (Belia) en de dochters Rivka en Roosje op de Prof. Pullelaan 23 in de wijk Tuindorp. Die wijk is tot 1954 onderdeel van de gemeente Maartensdijk. 

Aan het begin van de oorlog is Hens nog leraar natuur- en werktuigkunde op de Bijzondere HBS 'de Munnik' aan de Plompetorengracht in Utrecht. Al snel wordt hij daar, op last van de bezetter ontslagen omdat hij joods is. Hij gaat werken in een glasblazerij van laboratorium benodigdheden.


Na de zomervakantie van 1941 worden alle joodse kinderen van de reguliere scholen verwijderd. Er komt een aparte school voor die joodse kinderen. Hens is op 15 november benoemd als leraar wis- en natuurkunde aan de Joodse ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs) op Ondiep 63. Hij werkt ook op het Joods Lyceum in Hilversum, maar daar ligt zijn hart niet. Zelf zegt hij daarover: 'Als zijn hoofdtaak beschouwt hij echter het werk aan de U.L.O. school in de eigen stad, omdat hij hier de kinderen veel meer van nabij kent en zich sterker aan hen gebonden voelt.'

In mei 1942 moet de familie Lindeman hun huis aan de Pullelaan verlaten om plaats te maken voor een NSBer. Hens beschrijft de procedure: 'Op een dag vervoegt zich aan het huis van de een of andere jood iemand van het "Quartieramt", getooid met het bekende , driehoekige speldje. Hij komt de kamers bekijken, noteert de huurprijs en gedraagt zich verder nogal correct. Na enige tijd krijgt dan de huurder van den burgemeester zijner gemeente een brief: " In opdracht van de Duitse weermacht deel ik u mede, dat het door U bewoonde perceel ten behoeve van genoemde weermacht is gevorderd. Bijgevolg dient U de woning binnen zo en zoveel tijd (meestal vier dagen, dikwijls ook minder, soms vierentwintig uur) te hebben verlaten." In de brief staat tevens vermeld, wat men van de inboedel moet achterlaten; gewoonlijk is dat het meubilair en de stoffering; voor wie geluk heeft, alleen de stoffering.'

Het gezin vindt onderdak bij het gezin van Hennie en Chell van der Horst in Groenekan. Aan de Utrechtseweg 347 (tegenwoordig Koningin Wilhelminaweg) staat een blok van drie huizen. In het middelste woont de familie van der Horst. In het huis links op de foto woont de familie Zomer, die ook joodse mensen in huis heeft. In het rechter huis woont het NSB gezin van de familie Heinen. Uit het boek 'Groenekan en de Tweede Wereldoorlog' (Klok, Hoebink en van Schaik pagina 111): 'De NSB-buurman weet precies hoe de vork bij zijn buren aan de steel steekt maar hij, noch zijn zoon, verraden de onderduikers. In tegendeel, hij zou zelfs de ouders van Chell geholpen hebben bij hun onderduik.'

Hens Lindeman heeft een 'sperre' (vrijstelling; zie persoonsbewijs) waardoor hij legaal eerst nog met de fiets en later met de bus naar de Joodse school heen en weer kan reizen. Ondanks de sperre en reisvergunning die hij heeft, snapt Hens dat hij op zoek moet naar een echt onderduikadres. Hij onderzoekt een plek in een boshuisje in Zeist, hij duikt een dag en nacht op proef onder bij een ouder echtpaar, maar telkens keert hij terug naar Groenekan. Hij blijft hoop houden dat het nog niet nodig is om werkelijk onder te duiken.

 Op 28 januari 1942 staan er 193 leerlingen ingeschreven op de Joodse lagere school en ULO. Volgens het 'dagboek' van Lindeman is dat aantal vlak voor de zomervakantie van 1942 gezakt tot 170 leerlingen. Na die zomervakantie tellen de leerkrachten nog maar 55 leerlingen: 'Na enige ogenblikken verschijnen de kinderen in de brede gang. Ze zijn gauw geteld: de lagere school heeft veertig leerlingen over gehouden, de U.L.O. vijftien.'

In de herfst van 1942 en de eerste maanden van 1943 werkt Hens nog op de Joodse school. Het leerlingenaantal van de ULO daalt in die tijd verder: van vijftien in september 1942 tot acht in januari 1943.

In april 1943 is het zover: het gezin Lindeman krijgt een oproep om zich op 23 april te melden in kamp Vught. Op dat moment zijn alle mogelijkheden om onder te duiken vervlogen. Hens en Bep kunnen niet anders dan  berusten en ze zorgen dat al hun kledingstukken voorzien worden van een label met voor- en achternaam van de eigenaar, zoals in de instructies voor Vught staat: ' "Merk ieder kledingstuk met voor- en achternaam van de eigenaar zodanig, dat de letters bij het wassen niet verdwijnen" – luidt een van de raadgevingen op de lijst, welke door de afdeling "Hulp aan vertrekkenden" van de Joodse Raad is opgemaakt.'

Op maandag 19 april, vier dagen voor hun vertrek naar Vught, komt Leo Ginsel langs in Groenekan. Leo is een oude studievriend van Hens uit de tijd dat hij in Leiden studeerde. Al die jaren daarna hebben ze contact gehouden en Leo kent de problemen van de familie Lindeman. Leo stelt voor dat Hens en Bep bij hem onderduiken in Nootdorp op voorwaarde dat de dochters Rivka en Roosje niet meekomen. De familie van der Horst stelt Hens en Bep gerust: 'Maak je over Rivka niet ongerust, die breng ik in ieder geval voor vrijdag onder." Ze denkt even na. "Weet je wat? Ik breng haar voorlopig bij mijn moeder in Amsterdam; die vindt het zeker goed." '

Leo & Ali Ginsel (foto Familie-archief Lindeman)

Rivka gaat naar Amsterdam en Rosa blijft de rest van de oorlog bij de Hennie en Chell van der Horst. Op woensdag 21 april vertrekken Hens en Bep met de trein naar Delft. Vandaar lopen ze naar het huis van Leo en Ali Ginsel in Nootdorp. Dat is de plek waar ze de laatste twee jaar van de oorlog door zullen brengen. In die periode schrijft Hens hoogst waarschijnlijk zijn 'dagboek' over de periode herfst 1941 tot en met 21 april 1943.

 Hens en Bep in de onderduik

Na de oorlog worden Hens en Bep herenigd met hun beide dochters en zij gaan weer wonen op de Prof. Pullelaan 23 in Tuindorp. In 1947 verhuist het gezin naar Palestina. Daar verandert Hens zijn voornaam in Mordechai. In 1957 overlijdt zijn vrouw en moeder van zijn kinderen: Bep. Hij hertrouwt met Dela Spiero. Later is hij professor aan de Technion universiteit. Op 19 november 1974 overlijdt hij.