Joodse school Utrecht
.

Henry, Jacob en Karin Joshua

Als in Duitsland de anti-Joodse maatregelen heftiger worden, gaat de familie op reis naar Zwitserland  om naar de zus van Elsa te gaan, die daar woont.

De Zwitsers verlengen hun toeristenvisum niet en ze moeten het land uit. Ze besluiten naar Nederland te gaan, want daar woont het grootste deel van de uitgebreide familie van Elsa. Ze gaan in Scheveningen wonen.

In 1941 moeten alle niet Nederlandse Joden het kustgebied verlaten. De familie verhuist naar de Korte Smeestraat 22 bis A in Utrecht. Vanuit dat adres worden de kinderen ingeschreven op de Joodse school.

Vader Max, die in Hamburg werkte bij het bedrijf van zijn vader, schoolt zich in Utrecht om tot opticien.

Max en Elsa met baby Jacob 1932

Via relaties die de familie heeft in Zwitserland komen ze in contact met Chaïm Eiss.  Die heeft een geheime lijn opgezet om aan Paraguyaanse paspoorten te komen. Zo zijn ze opeens Duits-Nederlandse Paraguayanen geworden.

In 1943 verhuizen ze naar de Blauwe Distelweg 65 in Amsterdam. Vader Max werkt bij de Joodse Raad eerst als referent op de afdeling ‘Joodsche Centrale voor Beroepsopleiding’ en later als opticien. Vanwege zijn werk bij de Joodse Raad krijgt de familie een ‘sperre’ en zijn ze ‘bis auf weiteres’ veilig.

V.l.n.r Jacob, Elsa, Henry, Max, Karin In Scheveningen

Als ook de werknemers van de Joodse Raad niet meer aan deportatie ontkomen, zorgen hun Paraguyaanse paspoorten ervoor dat ze nog een tijdje veilig zijn. Maar als vader Max op straat opgepakt wordt, omdat hij geen ster op zijn jas heeft, wordt al gauw de hele familie gearresteerd. Op 26 juni 1943 komen zij in Westerbork. Zeven maanden later, op 15 februari 1944 gaan ze toch op transport, vanwege hun paspoorten niet naar Auschwitz, maar naar Bergen-Belsen. Ze komen daar in het zogenaamde ‘Sterrenkamp’. De mensen die daar terecht komen mogen hun eigen kleding houden met natuurlijk wel de Jodenster daarop.

Moeder Elsa, Karin en het jongste kind, Henry verblijven in de vrouwenbarak; vader Max en Jacob in de mannenbarak.

Op 16 januari 1945 sterft vader Max door ondervoeding.

Het Rode Kruis heeft een ruil bewerkstelligd: Joden met een buitenlands paspoort worden geruild voor Duitse burgers die in Palestina wonen. Drie dagen na het overlijden van vader Max gaat de rest van de familie op reis. Echter vlak voor de eigenlijke uitwisseling, besluiten de Duitsers de minder gezonde gevangenen uit het konvooi te halen. De familie Joshua komt terecht in interneringskamp Biberach. De omstandigheden in dat kamp zijn een stuk beter dan in Bergen-Belsen.

Ze worden daar bevrijd door de Fransen. Ze kunnen herstellen in het door nonnen geleide sanatorium Jordanbad.  Tot hun verbazing krijgen ze daar een paar maanden later bezoek van een zoon van de zus van Elsa, die een officier is bij de Canadese marine. Hij maakt deze foto van Karin, Elsa, Henry en Jacob.

Elsa en haar kinderen krijgen de kans om terug te keren naar Nederland. Maar zij weet inmiddels dat de hele familie, die ze daar heeft, is vermoord. Ze besluit naar Parijs te gaan waar haar oudste zuster woont. Later emigreren Elsa, Karin en Jacob naar Israël.


Elsa en haar kinderen in Jordanbad

Henry voegt zich tijdelijk bij hen en studeert daar scheikunde aan de universiteit. Later keert hij terug naar de VS. In 1968 trouwt hij met Judith Friedman, die ook als kind de oorlog overleefd heeft.

In Israël is Karin tien jaar lang secretaresse van Menachim Porush, een lid van de Knesset, het Israëlische parlement. Verder heeft zij een flink aantal boeken vertaald van het Duits naar het Engels. In 1955 trouwt ze met Meir Aron.



Henry Joshua 1945