Joodse school Utrecht
.

Wie betaalt de kosten?

Hoe zat dat nou tussen al die verschillende Nederlandse partijen rondom de Joodse school? Wie deed wat? Wie was waarvoor verantwoordelijk? Hoe ging de samenwerking? Welke personen waren betrokken? Wie betaalde de kosten?

Om een korte opsomming te geven van de betrokken partijen:

  • De joodse gemeenschap. Op onderwijsgebied in eerste instantie de Coördinatie Commissie en later de Centrale Commissie voor het Joods Onderwijs, onderdeel van de Joodse Raad (Isaac van der Velde)
  • De Utrechtse afdeling van bovengenoemde landelijke organisaties (Mr. A. de Haas)
  • De gemeente Utrecht (wethouder Waslander en later wethouder Breedvelt)
  • Het Departement van Onderwijs, Wetenschap en Cultuurbescherming (Prof. Dr. Jan van Dam)


Coördinatie Commissie

De joodse gemeenschap weet wat er in Duitsland gebeurd is en ze besluit om in december 1940 de Coördinatie Commissie op te richten. Dit samenwerkingsverband tussen de grote joodse organisaties wil de belangen van de joodse gemeenschap te behartigen. Ze besluit om alleen in contact te treden met de Nederlandse overheid en dus niet te praten met de Duitse bezetter.  

De Utrechtse vertegenwoordigers van de Coördinatie Commissie zijn J. Hamburger en Mr A. de Haas. Als wethouder Waslander een Joodse school uit de grond moet stampen, neemt hij in oktober 1941 contact op met de landelijke Coördinatie Commissie: 'Ik meen er goed aan te doen reeds thans daarop uw aandacht te vestigen, opdat u bij de verdeling van het beschikbare joodse personeel met de Utrechtse behoefte daaraan rekening zult kunnen houden.'

Waslander kan in Utrecht via zijn ambtelijk apparaat zaken als huisvestiging, financiering en benoemingen redelijk makkelijk regelen. Maar om aan leerkrachten te komen is hij volledig afhankelijk van de Coördinatie Commissie. Ook het Departement van Onderwijs ziet het landelijke probleem van het geringe aantal joodse leerkrachten. Prof. Dr. J. van Dam schrijft dat de gemeenten niet op eigen houtje leerkrachten moeten werven, maar dat zij contact moeten opnemen met de Coördinatie Commissie.

Lokaal vertegenwoordiger Mr. A. de Haas komt namens de Coördinatie Commissie met voorstellen voor aan te stellen leerkrachten. Er gaan veel brieven heen en weer met mogelijke kandidaten, waarvan er ook weer een aantal afvallen. Waslander kan eigenlijk niets anders doen dan al die voorstellen overnemen.  

Tussen september 1941 en november 1941 heeft wethouder Waslander intensief contact met de Utrechtse vertegenwoordiger van de landelijke Coördinatie Commissie in de persoon van Mr. A. de Haas. Echter op 27 oktober 1941 is de bezetter het zat. De Coördinatie Commissie staat niet onder direct bevel van de Duitsers. De bezetter verbiedt de Coördinatie Commissie en hevelt het werk over naar de Joodse Raad. Die hebben de Duitsers  wel aan een touwtje. Binnen de Joodse Raad wordt de Centrale Commissie voor het Joods Onderwijs (CCJO) gevormd.

Voor Utrecht maakt het niet zoveel uit. Mr. de Haas, stapt naadloos over van de Coördinatie Commissie naar de CCJO. Waslander blijft met dezelfde persoon contact onderhouden.

Centrale Commissie voor het Joods Onderwijs

De eerste brief van de CCJO die Waslander op zijn bureau krijgt, is nogmaals het dringende verzoek om niet op eigen houtje joodse leerkrachten te zoeken, maar om het via de CCJO te regelen. Waslander is niet van plan om zelf te zoeken, immers zijn contact met Mr. de Haas verloopt prima. 

Op 16 december is het team van de Joodse school, met de benoeming van Heina Themans compleet. Vijf GLO onderwijzers en twee ULO leerkrachten. Voor 193 leerlingen is dat een gemiddelde van 27 leerlingen per leerkracht. Rond die tijd was het gemiddelde aantal leerlingen per onderwijzer van de lagere school 37.

 De relatie tussen wethouder Waslander en Mr. de Haas is constructief. Met de landelijke chef van de CCJO, Isaac van der Velde, ligt het moeizamer. Op de vraag van van der Velde om de namen en adressen van de ULO leerlingen en leerkrachten reageert Waslander in zijn optiek niet snel genoeg. Een week later al stuurt van der Velde een 'aanmaning'. Het blijkt dat de brieven elkaar gekruist hebben.

Als wethouder Waslander vervangen is door NSBer Breedvelt gaat de correspondentie vooral over leermiddelen voor de Joodse school. Mondjesmaat zorgt Breedvelt voor de gevraagde leerboeken, maar de Utrechtse afdeling van de CCJO moet er wel huur voor betalen.

Financiering

Hoe zat het met de kosten die gemaakt worden voor de Joodse school? Wie betaalt het salaris van de leerkrachten? Om dat te beantwoorden is een brief 30 oktober 1941 van het Departement van Onderwijs belangrijk. 

Prof. Dr. Jan van Dam stelt in die brief dat uiteindelijk de Joodse scholen onderhouden moeten worden door de (toen nog op te richten) Joodse Raad. Hij vraagt de gemeenten om tot die tijd alle kosten voor te schieten. Het is een brief met gevolgen die duren tot 1950.

Voorlopig is er niets aan de hand. Alle kosten voor de Joodse school worden van september 1941 tot oktober 1942 betaald door de gemeente Utrecht. Dan wordt het Departement wakker en zij stuurt via de provincie op 28 oktober 1942 een brief aan alle gemeenten met Joodse scholen: alle kosten die vanaf 1 september 1942 gemaakt zijn voor de Joodse school moeten gedeclareerd worden bij de Joodse Raad. Natuurlijk laat wethouder Breedvelt zijn ambtenaren meteen berekeningen maken. Maar hoe zit het dan met de voorgeschoten kosten vanaf 1 september 1941 tot 1 september 1942? Er was toch in de brief, die hierboven staat, gesuggereerd dat alle kosten verhaald kunnen worden?

De gemeenten met Joodse scholen zijn verbolgen. De gemeente Den Bosch vraagt aan wethouder Breedvelt of Utrecht berust in het feit dat ze de kosten van het schooljaar 1941-1942 niet terugkrijgen. En zo niet, welke actie Utrecht dan gaat ondernemen. 

Breedvelt antwoordt dat hij protest heeft aangetekend bij de Commissaris der provincie Utrecht. Daarnaast heeft hij aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gevraagd om actie te ondernemen richting het Departement.

De provincie vraagt begrip aan Breedvelt voor de financiële positie van de Joodse Raad. Als het hele bedrag wordt geeist loopt het joods onderwijs gevaar.

De VNG overlegt eerst met het Departement Financiën, maar daar vangt ze bot. Vervolgens vragen ze Prof. Dr. J van Dam van het Departement Onderwijs om druk uit te oefenen op zijn collega van Financiën. Ook daar vindt de VNG geen gehoor. De gemeenten moeten de kosten voor schooljaar 1941 - 1942 zelf voor hun rekening nemen.  Daarmee lijkt de zaak gesloten. Echter na de oorlog krijgt deze zaak nog een staartje.

Eerst terug naar de kosten voor de Joodse school vanaf 1 september 1942. Die mogen wel in rekening gebracht worden bij de Joodse Raad. Het overleg daarover voert wethouder Breedvelt met Isaac van der Velde van de Centrale Commissie voor het Joods Onderwijs (CCJO). Er gaan veel brieven heen en weer tussen die twee. Duidelijk is dat de CCJO telkens vraagtekens zet bij de kosten die Breedvelt opvoert. De CCJO komt zelf komt met andere berekeningen. Van der Velde is aan het afdingen en tijd aan het rekken.

In december 1943 bestaat de Utrechtse Joodse school niet meer. De Joodse Raad is opgeheven. Maar van der Velde van de CCJO is nog wel actief, hoewel hij geen medewerkers meer heeft. Hij maakt een deel van het door Breedvelt gevraagde bedrag over. Maar als Breedvelt daar tegen protesteert antwoordt van der Velde:

Het is een ambtelijk welles-nietes spelletje. Januari 1944 is het laatste contact tussen Breedvelt en de CCJO. Breedvelt voert hoge kosten op en van der Velde zegt dat bepaalde kosten ook voor rekening van de gemeente zouden komen als er geen Joodse school zou zijn geweest. Aan het eind van de oorlog is het resultaat dat de CCJO een deel van de kosten heeft overgemaakt, maar minder dan Breedvelt vroeg. De CCJO betaalde 1986,67 gulden, terwijl de gemeente Utrecht 2973,84 gulden declareerde.

Na de bevrijding keert Waslander weer terug als wethouder onderwijs. De zaak van het geld dat de gemeenten hebben voorgeschoten voor de Joodse school over het schooljaar 1941 - 1942 komt weer aan de orde. De VNG kaart het probleem nogmaals aan bij het Ministerie voor Onderwijs. In principe is het Ministerie bereid een tegemoetkoming te betalen. Maar dan moet wel alles gespecificeerd worden. Dat levert natuurlijk weer getouwtrek op. Uiteindelijk komt er een compromis. Dan is het inmiddels wel 29 maart 1950. Het Ministerie betaalt 9829,31 gulden voor de kosten schooljaar 1941 - 1942 van de Joodse school en het Joods lyceum. Een Utrechts ambtenaar noteert dat het ontvangen bedrag 236,50 gulden meer is dan Utrecht gevraagd had aan het rijk.