Joodse school Utrecht
.

Mirjam Leefsma

Mirjam is de jongste dochter van Leo en Sarlina Leefsma. Mirjam gaat voor de oorlog en in het eerste oorlogsjaar naar de Dr. Bosschool. Die school zit in een spiksplinternieuwe nieuw gebouw in de Maria van Reedestraat. Maar vanaf half oktober 1941 moet Mirjam naar de Joodse school in Ondiep.

V.l.n.r Sarlina, Clara, Ella, Miriam, Leo [7] rond 1931

Vader Leo is firmant in de grote meubelstoffenhandel, die hij samen met zijn broer Jaap Leefsma heeft gesticht.[1] Het gezin Van Leo en Salina woont op de van Musschenbroekstraat nummer 2.

Lindeman schrijft in zijn 'dagboek' over zijn vriend Leo Leefsma: 'Wat had die kerel niet een pracht van een zaak! Textiel en gros. Flinke voorraden, een omzet van meer dan driehonderdduizend gulden de laatste jaren. [...]
Op een dag komt er iemand op het kantoor, die Leo te spreken vraagt. De man laat hem een aantal papieren zien, waaruit blijkt, dat hij door de een of andere "Stelle" ter liquidatie van Joodse bedrijven tot "Verwalter" is aangesteld. Enfin, dat was te verwachten; niettemin heeft Leo grote lust hem naar de keel te springen. 't Valt zelfs nog mee: Leo kan de zaak blijven drijven, voorlopig. Alleen moet de Verwalter iedere maand 600 gulden gegireerd hebben. Nadat hij een middag in de boeken gesnuffeld heeft, verdwijnt het heerschap, om veertien dagen later weer eens op te duiken. Strijkt nog wat reiskosten op: 75 gulden. Ja, wie hard werkt, moet betaald worden! En mijnheer de Verwalter werkt hard! Vergeet niet, dat hij ook nog de zorg voor vier andere Joodse zaken, die hij beheert, aan zijn hoofd heeft! Voor zo'n toewijding is een jaarlijks inkomen van 36000 gulden, exclusief reiskosten, tenslotte toch ook niet zo veel! Dit duurt twee maanden.  Dan ontvangt Leo een kort briefje: Hierbij bericht ik U, dat Uw aanwezigheid op de zaak niet langer wordt verlangt. De Boer, Verwalter'

Mirjam kan aanwezig zijn bij de trouwerij van haar oudste zus, Ella met Hans de Jong[2]. Clara, de andere zus van Mirjam. kan daar niet bij aanwezig zijn. Zij heeft ervoor gekozen om naar Elden te gaan. Daar is een soort kibboets, waar joodse jongeren zich voorbereiden voor emigratie naar Palestina. Zij kreeg geen toestemming van de Duitsers om naar Utrecht te reizen.  Op 5 oktober 1942 wordt Clara en alle andere pioniers naar Westerbork gestuurd. Zus Clara blijft, dankzij goede contacten, lang in Westerbork. In januari 1944 gaat Clara op transport naar Bergen-Belsen.[3]

Vader Leo wil als rechtgeaard zionist naar Palestina, maar begrijpt dat hij daar alleen terecht kan als hij een ambacht heeft. Hij gaat een cursus stofferen volgen. Dat is volgens zijn dochter geen succes. [3]

Leo als stoffeerder, 1942 [4]

Later probeert Leo onder te duiken. Volgens de getuigenis van Clara lukt het hem en zijn vrouw een plek te vinden waar hij voor moet betalen. Maar als zijn geld op is, wordt hij door zijn onderduikgever verraden.[3] Of het verraad gepleegd is vanwege het geld, blijkt niet uit de getuigenis van Daan de Beer.[6] Najaar 1942 is Miriam met haar ouders ondergedoken bij Henk Mackaay en zijn vrouw Marie. Die wonen boven de bioscoop Olympia op de Amsterdamsestraatweg 348. Omdat Daan de Beer na het verraad nog lange tijd contact heeft gehouden met dat echtpaar is het onwaarschijnlijk dat zij vanwege geld Leo en Salina Leefsma hebben verraden. Miriam blijft niet bij haar ouders. Het wordt veiliger geacht als zij naar haar oom Moses in Amsterdam gaat.

Leo en Salina worden na het onduidelijke verraad opgepakt door de bekende jodenjagers van de Utrechtse politie: Sporenburg, van Trigt en de Jong. Zij komen op 18 mei 1943 aan in Westerbork. Daar zien zij hun dochter Clara nog even kort, want op dezelfde dag gaan Leo en Salina op transport naar Auschwitz, waar ze meteen na aankomst vergast zijn.

Mirjam is dus ondergebracht bij een broer van vader Leo, Mozes Leefsma, in Amsterdam. Dat lijkt een veilige plek. De oudste zoon van Mozes, Eduard, zit in Palestina en heeft gezorgd voor zogenaamde Palestina papieren voor het gezin van zijn vader. Dat betekent dat zij eventueel uitgewisseld kunnen worden met Duitsers die in Palestina geïnterneerd zijn.

Oom Mozes Leefsma en zijn vrouw  

Maar ook die papieren blijken niet veel waard. Want Mirjam moet met het gezin van haar oom Mozes naar Westerbork. Precies een maand lang heeft ze daar overdag contact met haar zus Clara, die nog steeds in Westerbork zit. Dan moet Mirjam samen met het gezin van haar haar oom en tante op 20 juli 1943 op transport naar Sobibor, waar ze meteen na aankomst vermoord is.

Clara ziet ook nog hoe haar oudste zus Ella en haar man aankomen in Westerbork. Die gaan in januari 1944 op transport naar Auschwitz, waar ze vermoord worden. Clara is de enige van het gezin die de oorlog overleeft. Zij komt in Bergen-Belsen terecht en dankzij haar Palestina papieren lijkt het erop dat zij mee kan doen in het uitwisselingsprogramma. Maar ze komt terecht in de trein die bijna twee weken rondrijdt door het nog niet bevrijde deel van Duitsland en uiteindelijk stopt bij het plaatsje Tröbitz.[5] Daar wordt ze door de Russen bevrijdt. Ze komt daar in het noodhospitaal terecht en ligt tien dagen in coma. 

Clara vertrekt kort na de oorlog naar Palestina, waar ze trouwt met haar neef Eduard. Dat is de oudste zoon van haar oom Mozes, die voor de oorlog al in Palestina zat. Het paar krijgt twee kinderen. 

Mirjam Leefsma 12 jaar [4]