Hélène Simons Cohen
Hélène Judith Simons Cohen wordt op 21 juli 1925 in Utrecht geboren als dochter van Sigmund Louis Simons Cohen en Elisabeth Alter. Haar vader, geboren op 1 mei 1890 in Zuidlaren, is handelaar. Haar moeder is geboren op 3 april 1899 in Den Haag. Hélène, roepnaam Leni, heeft een oudere broer, Rudolf Paul (‘Rudi’), geboren op 11 april 1921 in Utrecht. Het gezin woont aan de Mauritsstraat 93 in Utrecht.
Hun vader is in Utrecht eigenaar van de Firma Izak Simons Cohen, een touw-en bindgarenfabriek. Hij runt dit bedrijf samen met drie van zijn zussen. Het is een internationale onderneming. De moeder van Hélène en Rudi heeft piano gestudeerd aan het conservatorium in Den Haag. Hélène gaat regelmatig met haar moeder naar het Concertgebouw in Amsterdam en geniet van de vele concerten. In 1939 is ze waterpadvindster bij de Flevogroep in Utrecht.
In april 1942 wordt hun huis in de Mauritsstraat 93 gevorderd door de Duitsers en krijgt het een nieuwe bestemming: ‘Plegesamt’, een instelling die Duitse prostituees een plek bood als zij zwanger waren.
Het gezin gaat tijdelijk naar het Joodse pension van de familie Engelsman-Pinas in de Justus van Effenstraat 1. Doordeweeks verblijft hier ook Lion Brommet, hoofd van de Joodse lagere school en ULO.
In de zomer van 1942 komt het einde van het gezinsleven. Op de Joodse Raadkaarten staat als laatst bekende adres van de ouders de F.C. Dondersstraat 48 in Utrecht. Vader Sigmund wordt gearresteerd. Volgens naoorlogse bronnen raakt hij betrokken bij een kwestie rond valse persoonsbewijzen. Op 31 juli 1942 zit hij gevangen in de Utrechtse gevangenis. Hij geldt voor de bezetter als een ‘strafgeval’. Tien dagen later, op 10 augustus 1942, worden Sigmund en Elisabeth vanuit Westerbork op transport gezet naar Auschwitz. Beiden worden daar op 30 september 1942 vermoord. Sigmund is 52 jaar oud, Elisabeth 43.
Hélène is zeventien als het gebeurt. Zij komt thuis van school en ziet hoe haar ouders door de Duitsers uit hun huis worden weggehaald. Haar ouders hadden haar ooit gezegd: ‘Als wij niet meer in huis zijn, dan moet je naar een bepaald persoon gaan’ — een oud-onderwijzer — ‘hij zal je verder helpen.’ Dat is wat Hélène doet.
Onderduik
Bij het regelen van onderduikadressen voor het gezin Simons Cohen speelt Willem Ket een rol, adjunct-secretaris van de Kamer van Koophandel te Utrecht. Eind juni, begin juli 1942 ontvangt Ket een verzoek of hij een adres weet waar joden kunnen onderduiken. Ket kent het gezin Das, dat bij hem in Tuindorp woont. Wim Das, een zoon uit dit verzetsgezin aan de Schimmelpennincklaan 14, weet een adres in Loosdrecht. Ter introductie geeft Ket een briefkaart van de familie Simons Cohen mee aan Das, met zijn eigen adres erop vermeld. Dit wordt Ket noodlottig: begin augustus 1942 komt de Utrechtse politie bij hem aan de deur. Hij wordt verhoord door de rechercheurs Van Tricht en Van Cleef van de Centrale Controle Dienst, drie tot vier dagen opgesloten en overgebracht naar de Sicherheitspolizei in de Euterpestraat in Amsterdam. Bij gebrek aan voldoende bewijs wordt hij na een uur verhoor weer vrijgelaten.
Hélène duikt onder, vermoedelijk ergens tussen 10 en 16 augustus 1942. Haar onderduiknaam is ‘Trix’. Zij verblijft op talloze adressen — soms een paar dagen, soms een paar weken of maanden. Ze weet nooit lang van tevoren wanneer ze weer moet vertrekken. Haar koffers staan altijd ingepakt, haar kamers zijn altijd opgeruimd. Zoals haar dochter Ellen later vertelt: ‘Mijn moeder kreeg vaak heel kort van tevoren te horen dat ze naar een volgend adres moest gaan. Ze was hierop altijd voorbereid.’
De jaren in onderduik zijn voor Hélène jaren van angst en onzekerheid. Als zeventien-, achttienjarig meisje is zij door enkele eigenaren van onderduikadressen misbruikt. Het zijn ervaringen die haar de rest van haar leven zullen tekenen.
Er zijn ook andere ervaringen tijdens deze periode. Een tennisfoto uit de zomer van 1944, met op de achterkant in Hélènes handschrift ‘Zomer 1944’, plaatst haar op dat moment in de omgeving van Enschede — een van haar vele onderduikadressen.
Broer Rudi duikt elders onder. Hij verblijft bij zijn scoutingleider in Ermelo. Ook hij overleeft de oorlog.
Hélène overleeft bijna drie jaar onderduik. Op een foto uit 1948, genomen voor restaurant Volkspark in Enschede, staat op de achterkant haar onderduiknaam ‘Trix’ geschreven.
Na de oorlog volgt ze in Utrecht de opleiding tot verpleegkundige. Hélène trouwt 2 keer en krijgt 3 kinderen. Eén van haar dochters is Ellen. Hélène kan met haar dochter over haar oorlogservaringen praten. Maar, in de woorden van Ellen: ‘Haar verdere leven heeft zij met deze verdrietige en angstige ervaringen en de gevolgen moeten leven.’ Mede door deze ervaringen heeft Hélène zich altijd ingezet voor vele maatschappelijke en culturele organisatie’s.
Stolpersteine
Op 6 oktober 2019 werden bij het vooroorlogse adres van het gezin, Mauritsstraat 93 in Utrecht, Stolpersteine gelegd voor Sigmund Louis Simons Cohen en Elisabeth Simons Cohen-Alter. Burgemeester Jan van Zanen is aanwezig, evenals twee van de drie kleindochters en twee achterkleinkinderen.
Bronnen
Dit verhaal is samengesteld op basis van: het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) in het Nationaal Archief; de cartotheek van het Rode Kruis; de Joodse Raadkaarten; Utrechts Archief: Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken; Scouts: Vrijheid en herdenken; correspondentie van Gerrit van der Vorst met de familie; en correspondentie met Ellen, dochter van Hélène.




