Joodse school Utrecht
.

Maximilian (Max) Bier


1933

Al snel nadat Hitler aan de macht komt, besluit de familie Bier om hun huis in Keulen te verlaten en naar Amsterdam te vertrekken. Vader Julius wordt daar bij de Burgerlijke Stand ingeschreven als ‘Duitse worstfabrikant’.

Vader Julius en moeder Berta wonen met hun vijf kinderen boven de slagerij van Julius. Moeder Berta runt daar een pension. Het is duidelijk dat zij een koosjer huishouden hebben met een gescheiden keuken voor melk- en vleesproducten.  In de advertenties over slagerij Bier staan de letters O.R.T.: Onder Rabbinaal toezicht.

1940

Vlak voor de Duitse inval werkt vader Julius nog in zijn slagerij in Amsterdam, terwijl moeder Berta en de kinderen in Zandvoort verblijven. Ook daar verzorgt Berta haar Joodse gasten ‘Onder Rabbinaal Toezicht’ in Pension Bier.  

In september 1940 gaat de slagerij van vader Julius failliet.

1941

Op vijf september 1940 komt het bevel dat alle uit Duitsland gevluchte Joden niet meer in de kustregio’s mogen wonen. Het gezin verhuist naar de Hasebroeklaan 7 in Bilthoven.  Daar wonen ze samen met de uit Polen gevluchte Hugo Berger en zijn vrouw Hedwig.

In een andere advertentie staat REOR als aanbeveling.  Die afkorting staat voor ‘Ritueel Eten Op Reis’, een Joodse organisatie die streng toeziet op het juiste gebruik van de koosjere keuken in pensions en hotels.

De familie Bier blijft maar 2 maanden in de Hasebroeklaan. Ze verhuizen in juli 1941 naar de Rubenslaan 56 in Bilthoven.

Op de voordeur is zo’n bordje gemonteerd.

Als in de herfst van 1941 de elfjarige Max niet meer naar zijn school in Bilthoven mag, wordt hij ingeschreven bij de Joodse school in Utrecht. Het is twijfelachtig of hij die school ook werkelijk bezocht heeft. Om met de bus te gaan heeft Max een reisvergunning nodig die om de vier dagen vernieuwd moet worden. Het is mogelijk dat hij nog een tijdje op de fiets naar Ondiep 63 komt, want pas in juni 1942 moeten Joden hun fiets inleveren.

1942

In september 1942 volgt weer een volgende verhuizing. Door alle beperkingen is het voor Berta onmogelijk geworden om nog inkomsten te genereren met haar pension. Het gezin verhuist naar de Hunzestraat 6 II in Amsterdam. Daar werkt Julius bij slagerij Davidson

De Hunzestraat is ook het adres dat op de Joodse Raad kaart van Max staat.

Nu er geen advertenties meer geplaatst worden, is het moeilijk om het gezin te volgen.

De Stolpersteine die voor het geboortehuis van Max geplaatst zijn geven verdere informatie.

1944

Vader en moeder Bier worden opgepakt en gaan op 7 januari naar Westerbork. Een maand later gaan ze op transport naar Auschwitz, waar ze op 11 februari 1944 worden vergast.

De tekst op de steen van zus Judith is intrigerend: ze heeft wel in Westerbork gezeten, maar ‘Flucht auf Transport’. Was dat op een treinreis naar een van de kampen? In ieder geval heeft ze de oorlog vanuit de onderduik overleefd.

Ook Mirjam en David zaten ondergedoken en hebben de oorlog overleefd.

Over het lot van de jongste twee broers, Friedrich en Max kom ik meer te weten door deze oproep in een Achterhoeks nieuwsblad, gedateerd 9 augustus 2017:

'Max Bier zou graag willen weten bij wie hij ondergedoken zat in Dinxperlo. Hij zou de nazaten graag willen bedanken voor hun hulp aan het gegeven dat het geslacht bier niet uitgeroeid is.'

Na het verraad komen ze in maart 1944 terecht in Westerbork. Op 5 april 1944 gaan Friedrich en Max op transport naar Bergen-Belsen.

1945

Een overlevende van Bergen-Belsen zegt over het kamp: ‘Het was geen vernietigingskamp, maar een verrekkingskamp.’

Door de komst van vele Joden uit elders ontruimde concentratiekampen, is er is veel te weinig te eten. Door de slechte hygiënische toestand krijgen luizen vrij spel. In de ontlasting van luizen zit de bacterie die vlektyfus veroorzaakt. Er breekt een epidemie van die ziekte uit in het kamp.

De twee jaar oudere broer van Max, Friedrich sterft op 29 november 1945; vier en een halve maand voordat de Britten het kamp bevrijden.

Vijf dagen voordat het kamp door de Britten bevrijd wordt, vertrekt er nog een trein uit het kamp met 2400 gevangenen, waaronder Max. Het zijn voornamelijk zogenaamde ‘Austauchjuden’; vooraanstaande Joden die de Duitsers proberen te ruilen tegen Duitse krijgsgevangenen van de geallieerden.

Friedrich Bier

Het is het begin van een gruwelijke reis. Vele uitgehongerde gevangenen hebben vlektyfus en de gevangenen die dat nog niet hebben worden door hen geïnfecteerd.

De Amerikanen en de Engelsen zijn vanuit het westen al diep in Duitsland doorgedrongen. En vanuit het oosten nadert het Russische leger. De trein probeert zijn weg te vinden in het nog niet bezette deel van het land.

Het is een tocht van dertien dagen. Telkens als de trein stopt, worden de overledenen door de andere gevangenen langs het spoor begraven.

Op die momenten gaan de sterkere gevangenen op zoek naar water en naar iets te eten, vaak tevergeefs. Onderweg wordt de trein een paar keer aangevallen door geallieerde vliegtuigen. De piloten gaan ervan uit dat het een troepentransport betreft. Uiteindelijk komt de trein tot stilstand in het dorpje Tröbitz.

Daar worden de gevangenen bevrijd door het Russische leger. De Russen ontruimen de huizen van Tröbitz, zodat de mensen uit de trein kunnen herstellen in die huizen. Ook daar overlijden nog veel Joden aan vlektyfus. Van de 2400 mensen die in de trein vanuit Bergen-Belsen vertrokken sterven er meer dan 550.

Max Bier is een van de gevangenen die de reis overleeft. Hoe hij teruggekomen is naar Nederland is -nog- onbekend. Op de lijst van overlevende Joodse mensen, de zogenaamde Eindhoven lijst, is te lezen dat hij in 1945 in de Rietstraat in Almelo is.

Op de kaart van de Joodse Raad staat dat hij in oktober 1945 in de Ootmarsumsestraat 67 verblijft.

Net als zijn zus Judith en zijn broer David, emigreert Max naar Israël. Zijn zus Mirjam blijft in Nederland wonen.