Meijer Kijzer (Myer)
Utrecht, 1 oktober 1927 — Sobibor, 23 juli 1943
Op de leerlingenlijst van de Joodse school van 28 januari 1942 staan in de tweede klas van de ULO twee kinderen Kijzer, vlak onder elkaar. Eerst Kijzer, Myer, Magdalenastraat 1, dan Kijzer, Regina S., Huygensstraat 10.[1] Ze zijn neef en nicht en zitten bij elkaar in de klas. Van de dertien kinderen in die klas overleeft Regina de oorlog. Meijer niet.
De familie van Meijers vader komt uit Gouda. In 1906 verhuist het gezin van Meijer Manus Kijzer en Sophia Kijzer-Seijffers naar Montfoort — vroom joods, maar het beschouwt zich nog altijd als buitenlid van de gemeente in Gouda. Utrecht vindt dat onzinnig: het gezin hoort gewoon bij Utrecht, of dat nu zo gevoeld wordt of niet. Bij de belastingheffing blijkt dat er in Montfoort maar twee joodse families wonen, Meijer en Kijzer, negen personen in totaal.[2]
De oudste zoon heet Emanuel, geboren in Gouda op 3 augustus 1887. Hij is banketbakker.[3]
Op 6 juni 1923 trouwt hij in Amsterdam met Marianne Rimini, geboren in Amsterdam op 20 november 1889, dochter van Joseph Rimini en de al overleden Esther Querido. Emanuel is vijfendertig, Marianne drieëndertig. Hij woont dan nog in Montfoort, zij in Amsterdam; de afkondiging heeft in beide gemeenten plaatsgevonden. Getuigen zijn Aron Brandon, negenenzestig jaar, en Mozes Rimini, horlogemaker, eenendertig jaar, de broer van de bruid.[4]
Het huis naast het weeshuis
Op 1 februari 1930 wordt Emanuel conciërge van het Centraal Israëlitisch Weeshuis aan de Nieuwegracht 92.[6] Het gezin gaat wonen op Magdalenastraat 1 — een huis dat niet van henzelf is maar van het weeshuis: eigenaar is het Algemeen Verpleeghuis voor Israëlitische Weezen in Nederland.[7] Meijer is dan twee jaar oud en groeit op om de hoek van het instituut waar zijn vader de sleutels beheert.
Het weeshuis is in 1871 opgericht en biedt plaats aan vijftig kinderen. Onder het echtpaar Bernard Salomon en Judik Themans groeit dat aantal in de jaren dertig naar ongeveer zeventig wezen en tien verzorgers, mede door vluchtelingkinderen uit Duitsland.[8] Vier van de vijf ULO-leerlingen wonen op Nieuwegracht 92. Meijer is de enige die daar niet woont maar er wel elke dag langsloopt: het kind van de conciërge tussen de weeskinderen.
Ook zijn moeder werkt voor de gemeenschap. In 1932 richt de vereniging Sangadas Chouliem een rituele keuken in het Stads- en Academisch Ziekenhuis aan de Catharijnesingel in, zodat joodse patiënten koosjer kunnen eten. Annie Koppel wordt kokkin voor dertig gulden per maand; Marianne Kijzer-Rimini is haar plaatsvervangster en werkt altijd op zondag in die ziekenhuiskeuken.[9] Het huishouden is orthodox — op de Joodse Raad-kaarten van beide ouders staat later kortweg orth.[10]
1942
Meijer zit in januari 1942 in de tweede klas van de ULO. In augustus krijgt het hele gezin een Sperre. De kaarten worden op 16 augustus 1942 gestempeld: Emanuel gesperrt wegens: functie, Marianne wegens: echtgen., Meijer wegens: kind.[10] De vrijstelling van de vader dekt het gezin.
Een paar weken eerder is die vrijstelling al eens gebruikt. Op 3 augustus 1942 — Emanuels vijfenvijftigste verjaardag — staat hij op de Lijst opgeroepen joden voor Rijkswerkkamp “Arrien” bij Ommen die niet aan het station zijn verschenen, met als reden: in opdracht van de Beauftragte Amsterdam vrijgesteld.[11] Hij is die ochtend niet naar het perron gegaan, en hij mocht wegblijven.
Het huis wordt leeggehaald
Het weeshuis wordt door de bezetter ontruimd. De kinderen, de verzorgers en het echtpaar Themans worden naar Amsterdam gebracht; in 1943 gaan zij naar Westerbork. Niemand van hen komt terug.[8] Het gebouw aan de Nieuwegracht wordt beklad met hakenkruizen en V-tekens; de sporen zijn er nog.
Ergens in die maanden verlaat het gezin Kijzer Utrecht. Hun drie Joodse Raad-kaarten geven vanaf dat moment geen Utrechts adres meer maar Nieuwe Keizersgracht 35 in Amsterdam.[10] Dat is geen willekeurig adres: in het onderhuis van dat pand woont Lea Silas-Rimini, een zuster van Marianne, met haar man Willem Silas en hun zoon Jacob, geboren in hetzelfde jaar als Meijer.[12] Het gezin trekt in bij familie.
De woningkaart van dat adres bevestigt dat het om een gewone woning gaat en niet om een instelling. Willem Silas staat erop als hoofdbewoner, ingeschreven op 30 april 1925, komend van Dijkstraat 20; het gezin woont er dan al bijna twintig jaar en Jacob is er geboren. De naam Kijzer komt op die kaart niet voor, en ook in het Amsterdamse bevolkingsregister is van hun verblijf niets terug te vinden: waarschijnlijk zijn zij er nooit formeel ingeschreven. In de gemeentelijke administratie zijn zij onzichtbaar, terwijl de Joodse Raad hen wel degelijk op dat adres noteert.
Het huishouden wordt pas op 11 juli 1946 van de woningkaart afgeschreven, met als nieuwe woonplaats één woord: Duitschland. Dat is geen verhuizing maar de administratieve afhandeling, jaren na de feiten, van bewoners die niet terugkwamen.[13]
Voor Meijer betekent de verhuizing dat hij een neef van zijn eigen leeftijd in huis krijgt.
Magdalenastraat 1 komt intussen op de Utrechtse Staat van ontruimde woningen van Joden, onder nummer 184: Kijzer Emanuel. Eronder, nummer 185, staat een tweede huishouden op hetzelfde adres: Cohen Philippus. Bij beide staat als eigenaar het weeshuis, en in de kolom “Is de woning weer betrokken?” één antwoord: Duitsche Weermacht. Door de hele kolom “Waar zijn de meubels ondergebracht?” loopt verticaal hetzelfde stempel.[7]
Die kolen zijn gekocht voor een winter die het gezin niet meer in dat huis doorbrengt.
Westerbork
Op 11 februari 1943 komen Emanuel en Marianne aan in Westerbork. Marianne wordt genoteerd op strafbarak 66. Op 2 maart 1943 gaan zij op transport; in rood potlood staat het op beide kaarten, met een streep eronder.[10] Het is het eerste transport uit Westerbork naar Sobibor. Op 5 maart 1943 worden zij daar vermoord. Emanuel is vijfenvijftig, Marianne drieënvijftig.[15]
Meijer zit niet in die trein.
Hij is vijftien en blijft achter bij zijn tante. Maar ook dat huis wordt leeggehaald. Lea Silas-Rimini wordt op 2 april 1943 in Sobibor vermoord, vier weken na haar zuster; haar zoon Jacob komt datzelfde jaar om, Willem Silas houdt het vol tot 1944.[12] Binnen zes weken verliest Meijer zijn beide ouders en het gezin dat hen had opgenomen.
Op zijn kaart wordt daarna het getypte adres doorgehaald en met de hand vervangen door Retiefstraat 39 — de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost. Met wie hij daar woont, of hij ergens is ondergebracht, of hij werk heeft: het staat nergens. Van de maanden tussen het verdwijnen van de familie Silas en zijn eigen arrestatie is niets bekend behalve dat adres.
Dan noteert dezelfde kaart: 20.6.43 W.bk.[10] Op zondag 20 juni 1943 vindt de grote razzia plaats in Amsterdam-Zuid en Amsterdam-Oost; de Transvaalbuurt wordt van huis tot huis leeggehaald en de opgepakte mensen gaan diezelfde dag op transport naar Westerbork. Dat is vrijwel zeker de dag waarop Meijer wordt opgepakt.
In Westerbork krijgt hij nummer Ut/55/29 — het Utrechtse nummer, hetzelfde kaartenblok als zijn ouders vier maanden eerder.[10]
Op 20 juli 1943 vertrekt Meijer uit Westerbork. In rood potlood staat het dwars over zijn kaart: Tr. 20 7 43.[10] Drie dagen later, op 23 juli 1943, komt de trein aan in Sobibor. Hij is daar meteen vermoord. Hij is vijftien jaar oud.[16]
Van het gezin op Magdalenastraat 1 is dan niemand meer over.
Wat overbleef
De familie van zijn moeder is even volledig uitgewist. Marianne had vijf broers en een zuster; David (1942), Samuel (1942), Simon (1943), Mozes (1943) — de horlogemaker die in 1923 getuige was bij het huwelijk — Jacob (1943) en Lea Silas-Rimini (1943), bij wie Meijer en zijn ouders in Amsterdam in huis waren, kwamen allen om. Hun vader Joseph Rimini stierf in 1941, nog voor de deportaties.[15]
Aan vaderskant liep het anders af. Emanuels broer Salomon Kijzer van de Huygensstraat 10 kwam op 31 maart 1944 om in Midden-Europa, maar diens vrouw en alle vijf hun kinderen overleefden — onder wie Meijers klasgenote Regina Sophia Kijzer en haar broers Mijer Manus en Israël. Van de zeven kinderen van Meijer Manus Kijzer en Sophia Seijffers kwamen er drie om: Emanuel, Salomon en Hester Beem-Kijzer.[17]




