Betty Jacoba Fanny van der Hoek
Betty van der Hoek staat op den eerste leerlingenlijst van de Joodse lagere school en ULO als leerling van de derde klas van de ULO:
Dat ze de Joodse school in Ondiep ook werkelijk bezocht heeft is onwaarschijnlijk.[1] De leerlingenlijst dateert van 28 januari 1942. Maar ik vind de notulen van het Joods Lyceum in Utrecht, gevestigd in het gebouw van het Joods Weeshuis op de Nieuwegracht 92. Dat zijn de notulen van de lerarenvergadering van 23 december 1941, dat is dus nog voor de leerlingenlijst. Daarin staat:
Op 21 augustus 1918 trouwt in Utrecht de 27-jarige huizenbewerker Heiman Isak van der Hoek met de 31-jarige Manuela van Menk. Een jaar later is hun zoon Isak Jacob geboren. Het duurt tot 1926 voordat op 3 februari hun tweede kind wordt geboren: Betty Jacoba Fanny van der Hoek. Aan het begin van de oorlog woont het gezin op de Wittevrouwensingel 96 bis. Bertha, de jongere zus van vader Heiman woont bij het gezin in. Bertha is apothekers assistente en zoekt in juni 1941 een baan:
Het gezin krijgt nog meer inwoning. De joods-Duitse musicus Alfred Salomon mag niet meer in Den Haag wonen. Die stad hoort bij de kuststreek waar de Duitsers alle niet-Nederlandse joden uit weg willen hebben. Alfred komt begin maart 1941 naar de Wittevrouwensingel. Hij blijft daar tot op 22 april 1943 alle joden zich dienen te melden in kamp Vught. Kennelijk is Alfred dan al ondergedoken, want hij heeft als enige bewoner van het huis op de Wittevrouwensingel de oorlog overleefd.
Al in de zomervakantie van 1942 krijgt het gezin van der Hoek een oproep om zich te melden in Westerbork. Op 2 of 3 augustus zijn Heiman, Manuela, Isak en Betty samen met Bertha ingeschreven in Westerbork. Op 10 augustus gaan de van der Hoeken mee met het negende transport van Westerbork naar Auschwitz. Moeder Manuela wordt meteen na aankomst vergast. Heiman, Isak, Betty en Bertha volgen anderhalve maand later.
Om een idee te geven van het totaal aantal slachtoffers in de familie van der Hoek, hier een oproep van een notaris. Hij moet de erfenissen regelen van alle vermoorde familieleden en hij roept in 1946 mensen op die nog iets te vorderen hebben om zich te melden.



