Joodse school Utrecht
.

Fanny Ehrenreich

In Wiesbaden produceert de oorspronkelijk Poolse familie Ehrenreich ‘Wollwaren, Strickwaren und sonstige Textilwaren’, die ze aan een groothandel verkopen. Rond 1934 verblijft vader Heinrich in Antwerpen om handel te drijven. Hij staat geregistreerd in het Vreemdelingenarchief van de stad.

Al in 1938 is het de familie duidelijk dat zij niet in Duitsland kan blijven.  In de zomer van 1938 gaat het elfjarige broertje Benni naar zijn oom in Polen. Vader Heinrich en moeder Lotte horen na de Duitse inval in Polen niets meer van hem. Benni is in Auschwitz vermoord.

Tijdens de Kristallnacht wordt op 10 november 1938 het bedrijfspand van de Ehrenreichs, Neugasse 3 in Wiesbaden volledig verwoest door nazi sympathisanten. Dankzij de hulp van bevriende relaties van vader Heinrich, lukt het Fanny, Rosa en Mary om in de herfst 1938 naar Nederland te komen. Daar verblijven de drie zussen in verschillende opvanghuizen. De familie valt verder uit elkaar. Moeder Lotte zwerft door Duitsland in een poging in contact te komen met Benni. Vader Heinrich, komt met zijn nichtje Gitta Steinberg in december 1938 via Nijmegen naar Nederland, waar zij zich vestigen in Den Haag. Hij doet verwoede pogingen om zijn oudste twee dochters, Mary en Rosa te laten emigreren naar Canada. Hij regelt dat een universiteit en een school daar bereid zijn hen in te schrijven. Moeder Lotte voegt zich april 1939 weer bij het gezin.

De drie dochters zitten verspreid door het land in kindertehuizen. Uiteindelijk lukt het om het gezin weer bij elkaar te krijgen in de Bilderdijkstraat 15 b in Utrecht. Ook het nichtje Gitta Steinberg woont bij hen.

De ambtelijke molen maalt echter te traag. Het lukt Mary en Rosa niet om op tijd te emigreren naar Canada. De twee oudste zussen van Fanny krijgen een oproep van de Joodse Raad en in juli 1942 worden zij opgehaald en gedeporteerd. In Auschwitz worden de beide zussen vermoord.

Rosa en Mary Ehrenreich

Als Fanny wordt opgegeven als leerling van de Joodse school in Utrecht in januari 1942, verblijft ze met haar ouders nog in de Bilderdijkstraat samen met nichtje Gitta Steinberg. Uit de Joodse Raad kaart van haar moeder blijkt dat vader Heinrich nog geprobeerd heeft op andere adressen te wonen. Tevergeefs.

Ze moeten naar Amsterdam verhuizen en komen terecht in de Antoniebreestraat 77.

Op 17 juli 1943 worden moeder Lotte, vader Heinrich en de twaalfjarige Fanny naar Westerbork getransporteerd.

Maar vader Heinrich heeft kennelijk goede contacten. In Zwitserland werkt een Hongaarse jood als 1e secretaris van de consul van El Salvador. Zijn naam is George Mandel-Mantello.  Hij heeft meer dan 5000 fake-bewijzen gemaakt waarin hij officieel bevestigt dat bepaalde personen eigenlijk inwoners zijn van het Midden-Amerikaanse land El Salvador.

De Duitsers zijn wat huiverig om die inwoners te vermoorden; vooral omdat ze misschien te ruilen zijn voor Duitse gevangenen in die landen.

Twee keer stuurt Mandel-Montello een bewijs naar Nederland; op 12 juli 1943 en op 14 december 1943.

Opvallend is dat Mandel-Montello een half jaar na het eerste formulier een tweede bewijs stuurt van hun nep-burgerschap van El Salvador. Dat heeft Mandel-Montello verder nooit twee keer gedaan.

De Duitsers zijn voorzichtig met deze eventueel waardevolle personen. Daarom gaat Fanny met haar ouders op 14 februari 1944 naar een speciale afdeling van Bergen-Belsen.

Na Bergen-Belsen komen ze terecht in kamp Biberach waar zij het eind van de oorlog meemaken. In 1947 zien we bij de volkstelling dat Fanny weer in Den Haag woont op de Wagenstraat 101 in Den Haag.

Het gezin verhuist eind jaren veertig terug naar Wiesbaden. Daar moeten ze een lange strijd aangaan om compensatie te krijgen voor hun kwijtgeraakte bezittingen. Uiteindelijk emigreert de familie naar Israël, waar vader Heinrich en moeder Lotte overlijden in Jeruzalem. Na hun dood emigreert Fanny naar de Verenigde Staten.