Joodse school Utrecht
.

Edith Bandler

Edith Bandler

Edith 13 jaar oud

1933 – 1941

In 1998 is een interview opgenomen met de toen 65-jarige Edith.  Over haar jeugd in Wenen vertelt ze:

‘Mijn vader was architect. Hij werkte voor de gemeente. We woonden in district twee, de Joodse wijk. Ik kan me niet herinneren dat onze familie omging met niet-Joodse mensen. De enige niet Joodse die ik kende was Liesl, het kindermeisje dat bij mij op de kamer sliep.

Edith 13 jaar 

Na de ‘Anschluss’  van Oostenrijk bij nazi-Duitsland zag ik Duitse soldaten marcheren en ik heb ook Hitler in een open auto zien langsrijden.

Mijn vader begreep al snel dat de situatie voor ons moeilijk zou worden. Hij wilde dat we naar Amerika zouden gaan. Maar omdat mijn ouders nog de Poolse nationaliteit hadden kon dat niet meer.

Waarschijnlijk door zijn werk bij de gemeente kon hij visa regelen. We hadden visa voor België, Zwitserland, Zweden en Nederland. Hij koos voor Nederland omdat dat land neutraal was en bovendien aan de kust lag. Van daaruit zouden we makkelijker naar Amerika kunnen komen, was zijn idee.

Begin 1939 ging eerst mijn vader naar Nederland. Daar zorgde hij ervoor dat mijn moeder en ik in augustus 1939 konden overkomen. We gingen met de trein en namen al onze meubels mee.

Mijn vader had geen werk in Nederland. Hij had in Wenen wel al zijn spaargeld omgewisseld voor diamanten. Mijn moeder naaide die in de zomen van haar kleding. We woonden in Scheveningen. Ik ging naar school en leerde heel snel Nederlands. Ik had het naar mijn zin in Scheveningen tot de Duitsers Nederland binnenvielen. De Haag en Scheveningen werden gebombardeerd. Ik weet nog dat er in onze wijk een vliegtuig neerstortte. Vanaf die tijd werd alles anders. Niet dat ik begreep wat er allemaal gebeurde, ik was pas zeven jaar, maar ik voelde kennelijk dat mijn ouders angstiger waren.

In 1941 moesten we weg uit Scheveningen. Alle Joodse emigranten moesten naar het binnenland verhuizen. Wij kwamen terecht in Utrecht. Mijn vader huurde een kamer in een bovenhuis bij de familie de Ruwe. Die mensen hadden een zeilboot en namen me wel eens mee uit zeilen. Dat vond ik heerlijk.

Ik ging daar ook naar school. Dat vond ik minder leuk dan de school in Scheveningen. Maar misschien kwam dat omdat ik die angst van mijn ouders voelde. Ze wilden mij beschermen en vertelden me niets. Mijn ouders gingen toen ook Pools praten, zodat ik niet kon horen waar ze het over hadden. Later begreep ik van mijn vader dat hij door een contact in de Joodse gemeenschap hoorde dat mijn moeder en ik op een lijst stonden voor transport naar Westerbork.’

1942

We moesten echt binnen een nacht weg. We gingen naar Amsterdam, ik geloof naar een nicht van de familie de Ruwe. Ik heb nog een beeld van een zolder waar we zo’n twee weken zaten. We konden niet naar buiten.

Mijn vader wilde naar het niet bezette deel van Frankrijk. Ik herinner me dat we ’s nachts over een Joodse begraafplaats liepen met een groepje mensen. Telkens wees iemand ons waar we heen moesten, zonder iets te zeggen.’

In het grensplaatje Putte, gemeente Woensdrecht, liggen drie grote Joodse begraafplaatsen. Die zijn daar door de Joodse gemeenschap van Antwerpen gesticht, omdat in België niet gegarandeerd kon worden dat een begraafplaats eeuwig bewaard kan blijven.

De smokkelroute om de familie Bandler over de grens te krijgen liep voor een deel over een van die begraafplaatsen.

‘We kwamen eerst in Antwerpen terecht en later in Brussel. Daar regelde mijn vader dat we valse papieren kregen als Franse onderdanen. En we spraken geen woord Frans. Met de trein gingen we naar de grens met Frankrijk.’

Na de oorlog, door gesprekken met haar vader, realiseert Edith hoe het gegaan was. Haar vader heeft bij het overhandigen van de persoonsbewijzen ook een flink geldbedrag gestopt. Een enorme gok, omdat hij niet wist of de Duitser het accepteert of niet. Het lukt. Ze komen terecht in Lille, waar het, ook weer met extra geld, lukt om in een smerig hotel te overnachten.

De herinneringen van Edith zijn beelden van sommige plekken tijdens hun reis. Hoe ze van de ene plaats naar de andere komen, weet ze niet, omdat haar ouders haar regelmatig voor zo’n reis verdoven met iets van een licht slaapmiddel of zo. Op die manier kan Edith niets verraden door bijvoorbeeld in het Duits iets te vragen aan haar ouders.

Ze heeft een beeld van het oversteken van de grens tussen het bezette Frankrijk en het ‘vrije’ Vichy Frankrijk.

‘We waren met een groep. Ik hoorde in de verte Duitse bevelen van soldaten, terwijl wij door een bos liepen. Er blaften bloedhonden en daar was ik enorm bang voor.’

In de zomer van 1942 komen ze terecht op een boerderij in een klein dorpje in de buurt van Toulouse. Edith voelt zich heel eenzaam.

Ik had een vlieg in een potje gestopt. Dat was mijn huisdier. Maar het was zomer en dus warm. Ik was verdrietig toen ik zag dat mijn vlieg dood was.’

In dat dorp worden vader Leon, moeder Zeneta en Edith opgepakt en in de plaatselijke gevangenis gegooid. Ook daar lukt het vader Leon om de bewakers om te kopen. Het gezin gaat naar Marseille. Edith heeft daar geen herinnering aan. Wel aan hun reis naar de Zwitserse grens.

‘We gingen met een groep van zo’n tien tot vijftien mensen de bergen in. Ik was een stadsmeisje en vond de bergen verschrikkelijk. Maar ik was inmiddels te zwaar om door mijn vader gedragen te worden. Ik weet nog dat we ’s nachts bij een berghut aankwamen. Die mensen daar wisten dat we Joden waren. Ik had honger en zag dat de eigenaar met een enorm mes stukken brood afsneed. Heerlijk brood. ’s Avonds werd ik naar bed gestuurd, maar mijn ouders bleven op. Dat was bijzonder. De volgende dag vroeg ik waarom ze niet naar bed waren gegaan? Ze waren bang geweest dat de eigenaar van het chalet ons met dat mes zouden vermoorden.’

De volgende ochtend loopt de groep verder en als er koeienbellen te horen zijn, begrijpt haar vader dat ze in Zwitserland zijn. Ze komen bij de Zwitserse grenspolitie. Er is een regeling in Zwitserland dat gezinnen met een kind onder de twaalf jaar naar binnen mogen. In de groep zit ook een jongen die iets ouder is. Hij wordt onverbiddelijk teruggestuurd, ondanks zijn geschreeuw en het feit dat hij zijn vuisten tot bloedens toe kapot slaat op een muur.

Ik zat met mijn moeder in een vluchtelingenkamp. Mijn vader zat in een ander kamp. Het ging niet goed met hem. Na de spanning van de vlucht kreeg hij een zenuwinzinking en kwam in een ziekenhuis terecht. Daar hoorde hij dat er in Zwitserland een regel was dat kinderen van vluchtelingen onder de twaalf jaar in pleeggezinnen geplaatst werden, zodat zij naar school konden gaan. Maar hij hoorde ook dat die kinderen vaak misbruikt werden als huishoudelijke hulp of als slachtoffer van seksueel misbruik.’

Vader Leon gaat vermomd het ziekenhuis uit en maakt contact met zijn Joodse relaties. Hij zoekt een rijk Joods gezin dat eventueel een kind wil opnemen. Hij vindt het oudere echtpaar Lang. Vader is o.a. eigenaar van L’innovation, een modewinkel. Zij zijn bereid om Edith op te nemen. Als het geregeld is, gaat vader Leon onmiddellijk terug naar zijn ziekenhuis.

Zo komt Edith terecht in het rijke huishouden van het gezin Lang.

Terwijl de oorlog voortduurt woont Edith in Montreux bij de familie Lang; ze zit op een privéschool; ze krijgt vriendinnen. Tijdens de vakanties kan ze stiekem verblijven in het vluchtelingenkamp waar haar ouders zitten. Want ondanks haar goede leven bij de Langs, mist ze haar ouders enorm.

Na de oorlog lukt het hen om contact te krijgen met een tante die in Amerika woont. Die staat borg voor hun verblijf in de States. Zo gaan ze naar Antwerpen waar ze inschepen met een groep van zo’n 15 mensen op een vrachtschip. Dat schip brengt hen naar Boston.

Kaart aankomst Boston

Zwitsers paspoort Edith

‘Na de oorlog gingen mijn ouders praten. Ze vertelden over hun overwegingen. Dingen die ik niet wist. Ik voelde als kind veel, maar begreep niets. Pas achteraf, als ik ook andere verhalen hoorde, begreep ik wat een enorm geluk wij hebben gehad.’

‘Maar wij kunnen nooit begrijpen wat de mensen in de kampen werkelijk gevoeld en meegemaakt hebben. Daarvoor moet je erbij geweest zijn.’

Edith trouwt later met Ralph Bar en heeft twee zoons en vier kleinkinderen. Ze heeft altijd in New York gewoond.