Joodse school Utrecht
.

Annelies Andriesse

Annelies (officieel Ans Elisabeth) woont met vader Karel en moeder Belia en haar oudere zussen Bep en Mary in de Aurorastraat op nummer 12. Haar vader is vertegenwoordiger in schoenen. 

 Als de Joodse school half oktober 1941 haar deuren opent is Annelies zes jaar oud. Ze komt terecht in de eerste klas (tegenwoordig groep 3) bij Marie Gazan. Over de school vertelt Annelies:

‘Ik herinner me bijna niets over de kinderen, die in de eerste klas zaten. Alleen Liesje Heijmans, waar ik na de oorlog contact mee had. Wel herinner ik me de reis per bus naar school. Het was erg koud en zaten we vaak een uur of meer te wachten. Alle bussen waren vol met militairen en reden voorbij. Een keer voelde ik me niet goed vanwege de kou. Een mevrouw in de bus gaf me haar mof om mijn handen warm te maken. Op school belden ze naar mijn vader , die me kwam halen.’ 

Haar zes jaar oudere zus Mary zit ook op de Joodse school. Over haar nichtje Mirjam zegt Annelies: 'In de pauze was ik trots, als Mirjam me met haar en haar vriendinnen liet meespelen.'

 Omdat vader Karel een functie heeft bij de Utrechtse afdeling van de Joodse Raad heeft het hele gezin een ‘sperre’. Tot de lente van 1943 zijn ze vrijgesteld van deportatie. Maar kennelijk hebben haar ouders toch al een onderduik voorbereid. Voor 22 april 1943 moeten alle nog in Utrecht wonende joden zich melden in kamp Vught. Dat is het sein om onder te duiken. Vader Karel brengt Annelies en Mary naar het bovenhuis van Ada van Ameijde. Zij brengt de kinderen via Rotterdam en Vlaardingen naar Den Briel. Daar worden Annelies en Mary opgehaald door de buurman van Huize ‘t Meertje. 

Met een rijtuig gaan ze naar Rockanje. Huize ‘t Meertje wordt geleid door Martje Molewijk en Adrie van Dongen. Er zaten in dat gebouw ongeveer 20 joodse kinderen verborgen. Annelies en haar zus Mary moeten wennen, maar dankzij de andere kinderen van hun leeftijd voelen ze zich daar prettig. 

 Er zijn daar foto’s gemaakt, die Annelies nog in een fotoalbum bewaard heeft:


 Mary en Annelies 


Als in Rockanje het gerucht gaat dat Martje en Adri joodse kinderen verbergen, proberen zij de kinderen elders onder te brengen. Zij krijgen daarbij hulp van de NV-groep. Annelies vertelt dat zij bij de laatste zes kinderen hoorden die nog in Huize ‘t Meertje waren.

Dankzij de waarschuwing van een politieagent dat binnenkort een inval komt, lukt het Martje en Ida om op tijd Annelies, Mary en nog een meisje, Vera uit het huis weg te krijgen. De drie meisjes komen, dankzij weer de hulp van tante Ada terecht in het huis van baron Frans Aernout van Lynden op de Biltstraat 188 in Utrecht. Annelies in een mail: ‘Degene, die voor ons zorgde was de dochter van de baron: Oeda. Haar vader, de baron, was doofstom (wat een raar woord). Bij de aanvang van de maaltijd las de vader uit de bijbel voor en hij wilde, dat ik naast hem zat. Hij kon niet duidelijk praten.’ 

Staand: Frans baron van Lynden 

Oeda brengt de drie meisjes een week later naar Hilversum, naar tante Eef, een ander lid van de ondergrondse: 'Zij nam ons een paar keer mee naar Amsterdam , waar we iemand van de ondergrondse moesten ontmoeten maar twee maal was hij er niet (waarschijnlijk vanwege gevaar ). De derde keer lukte het. Hij nam ons mee naar een nieuw adres. Van dit adres herinner ik me niet veel. Hun dochter heette Mirjam. De vader was niet thuis. Er hingen grote schilderijen aan de muur,die hij geschilderd had. Ook hier bleven we weer een week en vandaar reisden we naar Brunssum in Zuid Limburg.'

Eén van de leden van de NV-groep was Truus Vermeer. Zij reist regelmatig van Brunssum naar de Randstad om joodse kinderen in Limburg onder te brengen. Annelies gaat met haar mee. De drie meisjes blijven enkele dagen bij de familie Vermeer. Dat huis functioneert als doorgangshuis. 

Piet Vermeer brengt Mary en Annelies naar de familie Wagemakers en hun buurman Janssen. Ad Wagemakers werkt als elektriciën bij de kolenmijn. In Brunssum zijn veel joodse kinderen ondergedoken. Veel mijnwerkers zijn ook lid van de ondergrondse. Korte tijd voordat het echtpaar Annelies in huis neemt, is hun oudste zoontje, Jannie, overleden aan difterie. Dat is een groot verlies voor het gezin. Verder hebben ze nog een zoon, die een jaar jonger is dan Annelies en een dochtertje van twee en half jaar. Annelies voelt er zich thuis: 'Ik werd nooit anders behandeld dan de kinderen Wagemakers. Dit was echt mijn nieuwe thuis.'

Op 18 september 1944 wordt Brunssum bevrijd. Ook haar ouders zijn rond dezelfde tijd bevrijd. Annelies blijft nog tot eind november bij de Wagemakers omdat het nog onmogelijk is voor haar ouders om te reizen. 

De namen van Annelies en Mary op de lijst van geredde kinderen van de NV-groep (collectie Joods Museum)

Op een dag wordt er gebeld. Annelies maakt de deur open. Ze is er van overtuigd, dat het de schilder van de mijn is, die het huis komt schilderen. Maar het is haar vader, die Annelies en Mary op komt halen. Hun ouders en hun zusje Bep waren ondergedoken in Brabant. Haar vader is er in geslaagd hen gedeeltelijk per fiets en gedeeltelijk lopend te bereiken. Ze gaan terug naar Utrecht. Wonderbaarlijk genoeg heeft het hele gezin de oorlog overleefd. 

Na de prettige periode in Limburg heeft Annelies het moeilijk: 'Toen ik weer thuis was, verlangde ik vaak naar de Wagemakers. Gelukkig begrepen mijn ouders dat en mocht ik elke schoolvakantie logeren in Limburg.'

 Na de oorlog is Annelies actief in Haboniem, de socialistisch-zionistische jeugdbeweging voor joden: 'We kwamen iedere week samen. Altijd ongeveer zes dezelfde meisjes. Die kwamen we op alle gelegenheden tegen, want er waren na de oorlog in Utrecht weinig kinderen van onze leeftijd, die uit een zionistische familie kwamen.'

 In mei 1958 verhuist Annelies naar Israël.